Archieven

Dit bericht is 779 keer gelezen

In 2006 raapte ik in de tuin van Het Achterhuis aan de Prinsengracht in Amsterdam een aantal kastanjes van de grond. De oude kastanjeboom die Anne Frank in haar dagboek al beschreef wierp haar verkoelende schaduwen gul tussen de huizen. Ze was er echter niet best meer aan toe en een aantal jaren later werd ze gekapt. Het werd te gevaarlijk. Eén van die opgeraapte kastanjes zorgde ervoor dat ze in mijn tuin voortleeft, maar daarover straks.

In mijn jeugd was ik al een veellezer. Van  Donald Duck tot de boeken die ik elke week bij de bibliotheek in (toen nog) ‘het gebouwtje’ aan de Bergambachtse Kerksingel haalde. Er zijn echter van die boeken die er uit springen en een onuitwisbare indruk bij je achterlaten, ja zelfs aantoonbaar hebben bijgedragen aan het ontwikkelen van een passie. Ik had ook zo’n favoriet. Het boek ‘Van dier en plant, water en land’ geschreven door Kees Hana. Foto’s in zwart-wit weliswaar, maar dat was in die tijd gangbaar. Gefascineerd las ik zijn beschrijvingen van alles wat groeide, bewoog en bloeide. In bed met een zaklamp onder de deken tot ik in slaap viel. In die tijd moet het zaadje al geplant zijn.

De Krimpenerwaard was tot eind jaren vijftig van de vorige eeuw een oase van rust en groen. De agrarische sector was dominant. Dat vond zijn weerslag in het landschap. De polder was onze wereld. We voeren met schouwen door de sloten, visten, legden eierverzamelingen aan van de vogels die er nestelden, in de winter werd er geschaatst op weteringen en reden we  tochten. We liepen de boeren waar we kwamen ‘helpen’ tijdens de hooibouw alleen maar voor de voeten en genoten liggend in het gras van de leeuweriken die aaneengesloten zingend tot grote hoogte stegen.  We voetbalden op het braakliggend zandlichaam waarop later de weg tussen Schoonhoven en Krimpen aan den IJssel werd aangelegd.

Die aanleg van de N210 en later de N207 vormde het keerpunt. Er kwam verkeer, eerst nog weinig, we fietsten op de autoweg waar je sporadisch een auto tegenkwam. Maar dat veranderde.  Aanvankelijk nog niet zo snel, het ging sluipenderwijs. Paard en wagen waren steeds minder in beeld en maakten plaats voor tractoren. Een voer hooi die door het dorp reed werd een bezienswaardigheid. Het werden nu pakketten, efficiënt  te transporteren. Je zag de bloemrijke graslanden veranderen in saaie biljartlakens van Engels raaigras. Boerendaggelders stapten over naar de fabrieken. Nog geen dik betaalde boterham, maar wel een geregeld leven en je hoefde er ’s nachts niet uit om onbetaalde uren bij een zeug te zitten die biggen moest. De boer moest het nu zelf maar opknappen. Dorpen breidden uit, er ontstonden nieuwe wijken met huizen met veel glas, de doorzonwoningen. Meestal met een behoorlijke tuin erbij. De mensen kregen het beter, maar de natuur leverde in.

We zijn nu decennia verder. Verkeer raast over de N210, de wereld heeft haast. En ondanks dat de weilanden er nog steeds weids en groen bijliggen voel ik die gejaagdheid ook wanneer ik ergens afsla. Pas dieper in de polder daalt de rust weer wat in. Daar vind je weer iets terug van hoe het ooit was. De schraallanden van de Berkenwoudse driehoek, de stilte bij de vogelplas in Gouderak en het veenpluis in de Stolwijkse boezem. Natuurorganisaties doen hun best. De Zaag in Krimpen aan de Lek is zo’n nieuwe parel in wording. Ik heb de natuur naar mijn tuin in de woonwijk gebracht. Kaasjeskruid, heemst, smeerwortel, teunisbloem en nog een aantal ‘wilde’ planten heb ik op mijn fietstochten omzichtig uitgegraven of zaad van geplukt. De meeste beloonden mijn goede zorgen door te ontkiemen of op te groeien. Helaas ben ik een ordelijk mens en nogal ‘opruimerig.’ Dat leidde er toe dat ik soms te vroeg ging wieden en ook de goede uitlopers verwijderde.

Dit jaar is het anders. Omdat ik door fysieke problemen een behoorlijke tijd niet uit de voeten kon was ik gedwongen de boel de boel te laten. Geheel in de geest van de tijd kon ik met een uitgestreken gezicht beweren dat dit een verwilderingsexperiment was. Het is een eclatant succes geworden. Een schitterende chaos met planten die elkaar verdringen. In de duisternis eronder bieden ze plaats aan mijn vaste huisegel . Elke nacht komt hij keurig zijn bordje leeg eten in een speciaal hokje waar katten niet in kunnen komen. Temidden ervan staat de ‘Achterhuiskastanje’  inmiddels meer dan zes meter hoog en werpt nu op haar beurt een beschuttende schaduw over de planten aan haar voet. Onlangs kreeg ik nog een bericht uit Israël waarin gevraagd werd hoe het ‘kindje’ van Anne Franks kastanjeboom er bij stond. Ik kon de vragensteller geruststellen. Na 16 jaar wachten hangen er nu stekelige vruchten aan. Ze staat hier fier als enige boom waar de straat naar genoemd is.  

Dit bericht is 779 keer gelezen

Deel dit:

2 Reacties op Column Roel Botter – Wilde tuin

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief