Archieven

Dit bericht is 1174 keer gelezen

Het was zondagmorgen, het was koud, de sloten lagen dichtgevroren. Hij reed met zijn tankauto door de polder naar een gezin waar de cv was uitgevallen .De vrouw had hem in paniek gebeld dat de olie op was en ze met drie kleine kinderen in de kou zat. De dankbaarheid was groot na zijn hulp. Het lijkt op een kerstverhaal, maar wacht, het gaat verder: Een paar dagen later reed hij er weer. Boer P. stak zijn hand op. “Ik wil jou eens even spreken, ” stak hij van wal. ”Ik zag jou hier afgelopen zondag met je tankwagen rijden en olie wegbrengen.”  “Dat klopt,”antwoordde hij, “ er zat een gezin in de kou.” Boer P. bewoog zijn omhooggestoken wijsvinger vermanend heen en weer. “Dat wil ik niet meer zien, anders heb je voor het laatst bij mij olie geleverd.” Heel even, een fractie van een seconde, overwoog hij om die knollenneus een knal te verkopen, maar hij had een beter antwoord. “Meneer P. hebt u zondag lekker warm gezeten in de kerk?” vroeg hij. “Jazeker,” antwoordde P., niet begrijpend waar hij op doelde. “Dan zal ik u wat vertellen, zondagmorgen vroeg, voordat ik naar dat gezin reed, werd ik gebeld door de koster. Hij smeekte me om olie te komen brengen want de kerk was steenkoud. Dat heb ik gedaan, goeiendag verder.”  

Minimaal één keer per week wip ik bij mijn oudere broer aan om even bij te praten. Dat is geen grote reis, hij woont op een steenworp afstand. Dat bijpraten is meestal snel gebeurd, zo dynamisch is het dorpsleven ook weer niet. Maar omdat we nu eenmaal meer verleden dan toekomst hebben, gezien onze leeftijd, draait het al snel uit op verhalen over vroeger. Hij was in zijn werkzame leven kolenboer en later oliehandelaar en zat elke dag langs de weg  ‘onder de klanten.’ Een groot deel van die klanten bestond uit boeren. Tijdens die gesprekken is er natuurlijk koffie, maar wanneer ik tegen het eind van de middag aanland, vraagt hij soms met een twinkeling in zijn ogen, nadat ik een ‘bakkie’ heb afgeslagen: “Een jonkie dan?” Hij hoeft nooit lang aan te dringen. Het ouwehoert stukken prettiger met een kelkje jonge klare. Bij die gesprekken ben ik meestal de aangever, in de hoop een verhaal te ontfutselen aan een onuitputtelijke bron bij hem vanbinnen. Het duurt dan ook nooit lang tot we huilend van het lachen  op de tafel hangen.

Bij die verhalen over vroeger denk ik wel eens: Zou mijn vader zijn dorp nog herkennen als hij om een hoekje kon kijken? De kerktoren zou zijn ijkpunt waarschijnlijk wel zijn, ofschoon ook die na zijn dood een ander uiterlijk heeft gekregen. Nog niet zo lang geleden was het Vaderdag. Ik vind het onzin. Maar op zo’n dag denk je toch onwillekeurig even aan hem. Lang heb ik hem niet gekend, hij overleed toen ik twaalf was. Hij was ook kolenboer en best een zachtaardige man. Maar een enkele keer was bij hem de grens van wat hij kon verdragen aan hufterigheid die hem soms ten deel viel ook bereikt.  ”Ooit heb ik hem horen zeggen: “Het is dat ik er van moet eten, maar als ik nu een mitrailleur had begon ik aan de Franse Kade te schieten en hield ik pas in Zuidbroek op. Het zat diep, dat is duidelijk.  

Die tijden zijn voorbij. De kranten waarmee het dorp was dichtgeplakt zijn verdwenen. Boeren zijn er nauwelijks nog, op enkele hele grote na. Ze domineren bestuurlijk niet meer. Toch is de dorpsaard er nog een van een verborgen conservatisme, dat verandert nooit. Eén keer per week komt het even aan de oppervlakte wanneer op zaterdag aan het eind van de middag alle vlaggen van de winkeliersvereniging door een dorpsgenoot worden binnengehaald om op maandagmorgen weer te worden opgehangen, indachtig Exodus 20:9 : “Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen.” Ik vind het wel iets hebben.  Folklore moet je koesteren.

Dit bericht is 1174 keer gelezen

Deel dit:

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meest gelezen
  • No results available
Meld je aan voor onze nieuwsbrief